Er werd een boek gepresenteerd over vaderschap en gendergelijkheid. Over waarom mannen nog steeds minder zorgen, wat dat kost, en vooral: wat het mannen zelf oplevert als ze dat wél doen. Wij van Kiind juichen dat toe en deden een oproep voor een vader met een feministische pen. Een handvol vaders reageerde. Waaronder Tim Gouw. Hij ging naar de avond in Pakhuis de Zwijger en schreef.
Op donderdag 5 maart bevond ik me in Amsterdam, omringd door gelijkgestemden, pioniers en nieuwsgierige zielen. De aanleiding? De boekpresentatie van Who cares? Waarom mannen tóch nog minder zorgen en wat er (vooral voor hen) te winnen valt, geschreven door Mirte Wibaut en Bregje Feuth. Op de kop af drie jaar na het verschijnen van mijn eigen boek De thuisblijfvader, overzag ik het maatschappelijke debat van de afgelopen jaren over vaderschap en zorg. En eerlijk gezegd: ik werd er een beetje moedeloos van. We weten onderhand wel waar vaders tekortschieten, maar we reiken ze geen nieuw script aan.
Vijf jaar geleden leek de lucht zwanger van verandering. We kregen eindelijk een uitbreiding van het partnerverlof. De term ‘papadag’ werd – gelukkig – steeds vaker bekritiseerd als iets wat impliceert dat een vader slechts een veredelde, deeltijd-oppas is. Opeens hadden we het over de mental load, die onzichtbare maar loodzware denk- en regelruimte die in de praktijk bijna altijd door moeders wordt gedragen. Het leek alsof we op de drempel stonden van een ware revolutie in de huiskamer. Natuurlijk ouderschap? Jazeker, but make it feminist. We wilden toe naar een wereld waarin bijna dertig procent van de vrouwen in Nederland niet langer economisch afhankelijk is, simpelweg omdat in huis de zorg niet eerlijker wordt verdeeld.
Wel bewustwording, geen gedragsverandering
Maar als we nu, met Who cares? in de hand, de balans opmaken van een half decennium aan verhitte discussies, opiniestukken en talkshowtafels, wat is dan de voorlopige conclusie? Veel verder dan het eindeloos opnoemen van de plekken waar vaders tekortschieten zijn we niet gekomen. Wat ik mis, is de volgende stap in het gesprek. Niet meer ‘waarom vaders minder zorgen’, maar ‘wat gaat een vader morgen anders doen’. Dat is geen kritiek op Wibaut en Feuth — hun boek is goed en nodig — maar een observatie over het debat als geheel. We zitten vast in een patroon van bewustwording zonder dat bewustwording omslaat in gedragsverandering.
Je kunt gerust stellen dat de ‘zorgkloof’ inmiddels met chirurgische precisie is gediagnosticeerd, alleen de behandeling blijft uit. Wanneer ik kijk naar de media-aandacht – nog altijd een geliefde graadmeter voor relevantie in uitgeversland – voor mijn boek De thuisblijfvader is het thema zorgende vader weliswaar urgent maar zouteloos. Het debat is blijven steken in een klaagzang over de falende man. We wijzen (vaak volkomen terecht) op de vader die in het weekend weliswaar de blits maakt in de speeltuin met wilde spelletjes, maar geen idee heeft welke maat schoenen zijn kind draagt, of wanneer de volgende vaccinatieronde bij het consultatiebureau gepland staat. We lachen schamper om de man die vraagt “of hij nog ergens mee kan helpen” in het huishouden, in plaats van zélf te zien dat de wasmand overloopt en de koelkast leeg is.
De manier waarop we erover praten is onderdeel van het probleem
Hoewel deze observaties de dagelijkse realiteit van veel gezinnen pijnlijk accuraat weerspiegelen, is de manier waarop we erover praten inmiddels onderdeel van het probleem geworden. Door de vader constant af te schilderen als een goedbedoelende maar hopeloos onhandige stagiair in zijn eigen gezin, houden we precies dátgene in stand wat we proberen af te breken. Het is een selffulfilling prophecy. Als de maatschappij jou voortdurend vertelt dat je een beetje een kneus bent als het op zorg aankomt, is de verleiding erg groot om achterover te leunen. “Jij kunt dit veel beter dan ik, schat,” is in dat opzicht de ultieme ontsnappingsroute die mannen op een presenteerblaadje wordt aangereikt. Het ontslaat hen van de plicht om het daadwerkelijk te léren. Want laten we eerlijk zijn: geen enkele moeder wordt genetisch geprogrammeerd met de vaardigheid om naadloos een luiertas in te pakken met één hand. Dat is geen biologie, dat is een kwestie van verantwoordelijkheid nemen en vlieguren maken.
Besluitvorming rondom werk en familie is geen puur individuele, vrije keuze
Tijdens de bijeenkomst legde hoogleraar Belle Derks precies de vinger op de zere plek: besluitvorming rondom werk en familie is geen puur individuele, vrije keuze. Het is het directe resultaat van knellende, maatschappelijke gendernormen. Zolang we in een structuur leven waar het van een man stilzwijgend wordt verwacht dat hij de primaire kostwinner is en zijn identiteit ontleent aan zijn salaris, is het kiezen voor zorg een daad van maatschappelijke rebellie. Een vader die vier dagen gaat werken krijgt nog weleens een voorzichtig schouderklopje. Maar een vader die ervoor kiest om de traditionele rollen volledig om te draaien, stuit nog steeds op onbegrip, opgetrokken wenkbrauwen en subtiele degradaties op de werkvloer. Iets wat, oh ironie, moeders maar al te bekend zal voorkomen.
Lees ook: Hoe vrij is onze keuze voor borst- of kunstvoeding écht?
Gelukkig stellen Mirte Wibaut en Bregje Feuth in Who cares? ook de vraag die in de kritieken over vaders regelmatig ontbreekt: wat valt er voor de man eigenlijk te winnen? Betrokken vaderschap is geen corvee. Het is een verrijking. Mannen die actief, toegewijd en gelijkwaardig zorgen, rapporteren een hogere kwaliteit van leven, een betere mentale gezondheid en een veel diepere, onvervangbare band met hun kinderen. Ze leven niet langer als een goedwillende passant langs de zijlijn van hun eigen gezin, maar staan midden in de modder, de tranen en de onvoorwaardelijke liefde. Als we willen dat moeders meer gaan werken, hun ambities waarmaken en hun economische zelfstandigheid vergroten, moeten we het narratief voor mannen omdraaien. De boodschap is niet: “je móét meer doen want je partner gaat er anders aan onderdoor” (hoewel dat waar is), maar: “je mág meer doen, want je mist anders de essentie van het leven.”
Hoe komen we verder? Ten eerste moeten we het woord ‘helpen’ definitief uit ons vocabulaire schrappen. Vaders helpen niet met de kinderen; ze dragen medeverantwoordelijkheid. Dat vereist niet alleen taken uitvoeren als het je gevraagd wordt, maar proactief de regie pakken. Ten tweede moeten we de systemen rondom gezinnen aanpassen. Werkgevers moeten kleur bekennen. Het vaderschapsverlof is er, maar de cultuur op de werkvloer moet het opnemen ervan gaan vieren als een teken van modern leiderschap, in plaats van het te zien als een gebrek aan ambitie. Ten slotte moeten we elkaar de ruimte durven geven. Moeders mogen oefenen in het loslaten van de controle (ja, hij trekt de peuter misschien een outfit aan die vloekt, so what?) en vaders moeten weigeren op te geven als het even ongemakkelijk voelt.
Wat dat betreft biedt Who cares? een vonkje voor de volgende fase in dit debat. Een fase waarin we de wijzende vinger laten zakken en de handen uit de mouwen steken. Zorg heeft geen gender. Laten we stoppen met opsommen wat vaders niet kunnen, en ze de ruimte geven om te laten zien wat we allemaal te winnen hebben als ze het wél doen.
Tim Gouw (1988) is schrijver en economiedocent. Hij schreef het boek De thuisblijfvader over vijf jaar zorgen, twijfelen en groeien als vader. Tim woont met zijn vrouw en twee kinderen en is ervan overtuigd dat zijn pasta met worteltjes alsnog een keer gaat aanslaan.
Foto: Tim Gouw
Lees ook: Je vrouw net bevallen? 15 kraamtijd tips voor partners (m/v/x)
Het bevallingsverhaal van vader Jelger: ‘Ze zei puffend dat ik thuis moest komen en ik dacht: nu gaan we racen‘.
En: Begint gelijkwaardig ouderschap bij feministisch opvoeden?







