Marianne van der veen-kolkena

Adult supremacy: de invloed van volwassen macht op kindwelzijn


Mensenkinderen komen heel onrijp ter wereld en hun ontwikkelingsstadium bij de geboorte maakt dat ze volledig van de zorg van anderen afhankelijk zijn. De kwaliteit van de zorg waarmee ze worden omringd, is van invloed op hoe hun lichamelijke, sociale en emotionele systemen ‘uitrijpen’. Die onrijpheid betekent dat een kind veel behoeften heeft. Elke ouder weet dat: de zorgbehoefte van een baby is immens! Hoe komen we daaraan als volwassene tegemoet? Hoe wegen we onze eigen belangen af tegen die van ons kind? Hervormen we ons leven rondom de behoeften van het kind of moet het kind zich aanpassen aan ons leven van voor haar komst? Breder geformuleerd: hoe gaan we als samenleving om met wat kinderen nodig hebben? Dit artikel maakt een begin met het zoeken naar antwoorden op deze vragen. In volgende afleveringen zullen ze uitgebreider onder de loep worden genomen.

Marianne Vanderveen-Kolkena geeft ook een lezing op het Kiindfestival. Erbij zijn?

Universaliteit?

Overal ter wereld groeien kinderen op totaal verschillende manieren op (Lancy 2015). Over de hele linie worden ze competente leden van hun sociale gemeenschap. Dat houdt onder andere in dat ze de lokale taal zowel in woord als in lichaamsgebaren beheersen. Ze weten wat er van hen wordt verwacht en ze hebben al snel in de gaten wat ‘hoort’ en wat niet. Ze leren de vaardigheden aan die nodig zijn om binnen hun eigen setting te overleven en tot bloei te komen. In een vijandige, schrale leefomgeving zul je daarom andere vaardigheden moeten aanleren dan in een overvloedige of vriendelijke setting. In de antropologie wordt dit door velen als kern van de kwestie gezien: ‘Hoe mensen zich gedragen, is sociaal geconstrueerd. De cultuur van een groep bepaalt hoe iedereen met zaken omgaat. We kunnen daar geen universeel geldende uitspraken over doen.’

Culturele gewoontes

Hoewel daar veel waarheid in zit, ben ik het niet zonder meer met die stellingname eens. Ik denk dat er wel degelijk universele verschijnselen zijn die mondiaal een vergelijkbare rol spelen bij de gezondheid en het welzijn van kinderen. De belangrijkste drie zijn voor mij de volgende.

  1. Mensenkinderen zijn zeer kwetsbaar bij de geboorte en daarom volledig afhankelijk van adequate zorg door volwassenen.
  2. Ongemedicaliseerd geboren worden en geruime tijd bij de moeder drinken bieden een kind het optimale fundament voor een gezonde ontwikkeling.
  3. De veiligheidsbeleving van het kind bepaalt mede hoe het zich geestelijk en lichamelijk ontwikkelt tot volwassenheid.

Er zijn veel culturele gewoontes die deze drie processen kunnen verstoren of negatief beïnvloeden en die daarom een kritische beschouwing verdienen of zelfs vereisen. Wat vinden we bijvoorbeeld van het disciplineren van kinderen door middel van het negeren of (lichamelijk) bestraffen van gedrag? En wat vinden we van werkende kinderen? Wat vinden we van besnijdenis of van heel vroege kinderopvang door vreemden?

Groei en sociale verhoudingen

Met het verstrijken van de tijd worden kinderen niet alleen lichamelijk groter; ook hun persoonlijkheid groeit. Onderzoek bij ratten laat zien dat de kwaliteit van moederlijke zorg een cruciale factor is in de toekomst van het jong: een zorgzame moeder brengt zorgzame pups voort (Panksepp 1998). Bij mensen is dat soort onderzoek niet zo eenvoudig te realiseren: een mensenleven duurt lang en gedurende dat leven zijn er waanzinnig veel invloeden en gewoontes die op het vroege fundament doorbouwen en het versterken of juist verzwakken. Toch blijkt uit wat we wél weten telkens weer dat de vroege fase van grote invloed is op de rest van het leven.

Antropologen Hoke en McDade hebben dit verschijnsel samengevat in een mooie term: de ‘biosocial inheritance’, de biosociale erfenis. Dit houdt in dat de ‘erfenis’ die we meekrijgen van onze ouders en grootouders, wordt bepaald door zowel biologische als sociale aspecten, die onderling intensief op elkaar inwerken (Hoke en McDade 2015). Vanuit fysiologisch oogpunt is dat logisch: als je iemand angst aanjaagt (sociaal), wordt hormonaal gezien het stresssysteem geactiveerd (biologisch). Dit heeft invloed op wat het brein leert uit zo’n situatie (de interactie). Belangrijk daarbij is vaak: wie is in deze situatie de baas? Kan ik invloed uitoefenen op de situatie? Zo ja, welke strategie moet ik toepassen: fight, flight or freeze?

White supremacy en male supremacy

Wanneer we vragen wie de baas is, spreken we over dominantie, of, in een nog sterkere mate, van suprematie. In een situatie van suprematie plaats je jezelf en je eigen belangen boven die van de ander. Jouw wil is wet, jouw visie is de norm, jouw activiteit heeft prioriteit. Bij de begrippen white supremacy uit zich dit in achterstelling van niet-blanken, bij male supremacy in de achterstelling van vrouwen en meisjes. Deze achterstelling heeft grote gevolgen voor de betrokken groepen. Je kunt daarbij denken aan de invloed op onderwijs, huisvesting, werksituaties en sociale positie.

De conclusie is dus dat suprematie van de ene groep het welzijn en de gezondheid van de achtergestelde groep in gevaar brengt. Wat mij tijdens mijn drie studiejaren opviel, was dat er helemaal niet werd gesproken over de mondiale positie van kinderen. Ik stelde mij vervolgens twee vragen: is er een overkoepelend concept in gebruik dat de achterstelling van kinderen benoemt? En ten tweede: is er een concept dat op de positie van kinderen betrekking heeft en bovendien mede een verklaring zou kunnen bieden voor white supremacy en male supremacy? In die vragen ontstond voor mij een sterke connectie tussen mijn lactatiekundige kennis en de antropologische begrippen die ik bestudeerde.

Adult supremacy

We weten vanuit de fysiologie dat een responsieve, sensitieve benadering van de ander de beste garantie biedt voor empathie, voor je inleven in en mededogen hebben voor de ander. Als we zouden moeten concluderen dat kinderen structureel worden achtergesteld door volwassenen, zou dat, analoog aan die andere begrippen, dan niet adult supremacy moeten heten, volwassen suprematie? En zou dat bovendien niet een tamelijk logische verklaring zijn voor andere vormen van discriminatie? Als de behoeften van het kind niet worden bevredigd en het kind voelt zich geregeld onveilig of bedreigd, hoe zit het dan met de ontwikkeling van het empathisch vermogen van het kind? Hoe kan het zich inleven in een ander (met een andere culturele achtergrond of een ander geslacht) als het dat empathisch vermogen ontbeert?

Sociaal construct

Juist als je, zoals de antropologie stelt, alles beschouwt als een sociaal construct, als een gevolg van menselijke, culturele gewoontes en gebruiken, zou dan de socialisatie in de kindertijd niet veel meer aandacht moeten krijgen? Zou dat niet grotendeels een verklaring blijken te zijn voor hoe een kind als volwassene in de wereld staat en die tegemoet treedt? Vragen in overvloed! De vraag uit de inleiding, over hoe we als samenleving omgaan met de behoeften van kinderen, is in die overvloed weliswaar een heel basale vraag, maar tegelijk ook één die niet eenvoudig te beantwoorden is. Daar zit een zoektocht aan vast, waarin de rol van de volwassene een factor van betekenis is. Dat is een rol die uiteraard ook weer de last van zijn eigen biosociale erfenis draagt.

Van Nelson Mandela is dit prachtige citaat:

There can be no keener revelation of a society’s soul than the way in which it treats its children.

Als we als samenleving ouders en vooral ook moeders, op wie het kind voor de borstvoedingsrelatie is aangewezen, dwingen om al snel na de geboorte weer aan betaalde arbeid deel te nemen, weg van het kind… Hoeveel ruimte creëren we dan voor het kind om met de primaire hechtingsfiguren een intensieve band op te bouwen? Als we voor de jeugdgezondheidszorg richtlijnen uitvaardigen over slaap, waarin ouders worden aangemoedigd het roepen van hun kind in de nacht te negeren… hoeveel waarde hechten we dan aan wat het kind emotioneel ervaart (TNO/NCJ 2017)?

Investeren in het kind

En als kinderen al jong in hun leven te maken krijgen met de scheiding van hun ouders… hoeveel energie zien ze ons dan investeren in onze eigen groei en traumaverwerking, opdat we het gezinsfundament voor het kind kunnen behouden? Dat zijn grote vragen; dat zijn vaak ook confronterende vragen. We kennen als ouders immers allemaal het gevoel dat we ‘op’ zijn, dat we ons geduld niet kunnen bewaren, dat we even niet aanspreekbaar willen zijn voor de behoeften en eindeloze vragen van onze kinderen. Zegt dat iets over hoe ‘lastig’ het kind is of over de mate waarin we volwassen genoeg zijn om de kinderlijke verlangens te zien voor wat ze zijn: een diepe behoefte aan je gehoord, gezien en gewaardeerd weten?

De moderne wetenschap, zowel de sociale als de medische, laat zien hoe belangrijk die vroege jaren zijn: wie gezond start, vergroot meestal die positieve voorsprong; wie ongezond start, ziet hoe allerlei problemen in het leven zich opstapelen. De kindertijd is voor ouders daarom een intensieve fase in het leven, een fase waarin ze grootschalig (moeten) investeren in de toekomst van het kind. Dat is géén pleidooi voor ‘child supremacy’, wél een oproep om als samenleving beleid te faciliteren dat die gezonde start mogelijk maakt. Dat is zeer de moeite waard, want, zoals de 19e-eeuwse anti-slavernij-activist Frederick Douglass zei: ‘It’s easier to build strong children than to repair broken men’!

Marianne Vanderveen-Kolkena is lactatiekundige IBCLC en antropoloog. Ze rondde in juni cum laude haar bachelor Culturele Antropologie & Ontwikkelingssociologie af aan de Universiteit van Amsterdam en heeft zich voor haar bachelor-eindpresentatie verdiept in de aspecten die meespelen bij een concept dat ze aan het ontwikkelen is: adult supremacy, volwassen dominantie. 

Marianne Vanderveen-Kolkena geeft ook een lezing op het Kiindfestival. Erbij zijn?

Meer lezen

Hoke, M.K. and T. McDade: 2015 Biosocial inheritance: a framework for the study of the intergenerational transmission of health disparities. Annals of Anthropological Practice 38(2): 187-213.

Lancy, D.F.: 2015 The Anthropology of Childhood. Cherubs, Chattel, Changelings. Second Edition. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 26-74 [2008].

Panksepp, J.: 1998 Affective Neuroscience. The Foundations of Human and Animal Emotions. New York: Oxford University Press.

TNO/NCJ: 2017 Richtlijn: Gezonde slaap en slaapproblemen bij kinderen. Utrecht: Nederlands Centrum Jeugdgezondheid.

https://www.ncj.nl/richtlijnen/alle-richtlijnen/richtlijn/?richtlijn=40 (19 juni 2017).

Nóg meer lezen

Het geminachte kind, Guus Kuijer (alleen antiquarisch verkrijgbaar)

Grote mensen, daar kun je beter soep van koken, Guus Kuijer

Het einde van de opvoeding, Jan Geurtz

Domino-effect van onveilige hechting

Je baby laten huilen, is dat nou echt zo erg?