Wij mensen zitten vol sociale normen. Onze kinderen krijgen een flinke dosis beleefdheid mee. Goed opgevoed! zeggen we dan. Maar een grote mond is soms gewoon nodig. Begrenzen mag en moet. 

Bang voor je grens

‘Veel mensen zijn bang om hun grens aan te geven’, vertelt yogadocent Kitty Steenvoort. ‘Maar een grens is er niet voor niets. Kijk naar dieren. Met een grom geeft een hond aan: “Dit is mijn eten. Mijn terrein. Blijf uit de buurt.” Er is niks mis met die grens. Hij bewaakt zichzelf. Zo is het bij mensen ook; vooral meisjes worden vaak opgevoed tot aardige lieve wezens die geen nee horen te zeggen. Dat kan een tijdje goed gaan. Het wordt pas een probleem als je je grens verlegt, en nog eens, en nog eens. Dan ineens is het mis.’ 

Ik herken wel wat ze zegt. Na de zoveelste keer dat je om welke reden dan ook je grens hebt genegeerd, raakt het uit zijn verband. Misschien komt er iemand die in één klap al je grenzen overschrijdt. Of raak je uit je doen en word je duizend keer bozer dan past in de situatie. Gewoon omdat je al die ingeslikte keren opgeteld hebt.

‘Boos worden is niets anders dan een gezonde grens aangeven’, aldus Kitty. Bij gezonde boosheid geef je een grens aan waarbij je ook de grenzen van de ander respecteert. Ons is aangeleerd dat boosheid een negatieve emotie is die je beter kunt wegstoppen. Doe je dat te vaak dan negeer je je eigen grenzen én kan er een ongezonde boosheid ontstaan.’

Als kind leren wat je grens is, dat is dus best belangrijk. Zodat kinderen óók nee durven zeggen. Dat ze niet hoeven te ‘pleasen’. Dat ze hun eigen grens mogen respecteren.

Te meegaand

Kinderen willen vaak een ander niet kwetsen. Ze blijken zelfs zo gevoelig voor sociale wenselijkheid dat ze ook beleefd kunnen zijn tegen types die kwaad in de zin hebben. Experimenten laten dit haarscherp zien. Misschien ken je de rondgaande filmpjes met een proefje op de kermis, waarbij een onbekende man telefoonnummers vroeg aan jonge tienermeisjes: het resultaat was dat de meeste meisjes hun nummer inderdaad gaven. De meiden gaven achteraf aan niets met de man te willen en zelfs met tegenzin hun nummer te geven – ze deden het uit beleefdheid. Uit aangepastheid. Ai. Wat leert ons dit?

Weerbaar

Psycholoog en orthopedagoog Tamar de Vos – van der Hoeven geeft aan dat veel terug te voeren valt op de weerbaarheid van een kind. Is je kind weerbaar en hoe draag jij daaraan bij als ouder?

‘Het belangrijkste voor de weerbaarheid van een kind is het zelfvertrouwen. Een kind dat weerbaar is heeft een goed gevoel van eigenwaarde en is zich bewust van zijn of haar eigen gevoelens en die van anderen. Er is ook sprake van een wisselwerking tussen weerbaarheid en zelfvertrouwen. Een kind dat weinig weerbaar is en niet voor zichzelf durft op te komen, zal soms negatieve ervaringen hebben.’

Die weerbaarheid ontwikkel je voorzichtig als dreumes (‘Wat wil ik? Wat wil ik niet?’) en verder in de peuterleeftijd, zij het op een manier die nog geen rekening houdt met anderen. Empathie volgt dan vanaf de kleuterfase. Om weerbaarheid te kunnen ontwikkelen, is het belangrijk dat je als opgroeiend kind positieve ervaringen opbouwt in je relaties. 

Tamar: ‘Een kind dat gewaardeerd wordt en waarbij de ouders zich inleven in de behoefte en wensen van het kind en daarmee ook rekening houden, zal zich als een weerbaarder kind ontwikkelen. Ouders moeten natuurlijk wel regels stellen, maar het is ook belangrijk dat ouders luisteren wanneer hun kind opkomt voor het eigenbelang, ook dan moet het kind gehoord worden. Dit betekent niet dat er toegegeven moet worden, maar wel dat hetgeen het kind zegt serieus genomen wordt en er uitleg gegeven wordt waarom de regels toch blijven zoals ze zijn.’

Intuïtie

Naast weerbaarheid is er ook winst te behalen op het vlak van intuïtie. Leer je kinderen trouw te zijn aan zichzelf en hun aangeboren intuïtie te herkennen, dan kunnen ze autonoom handelen. Ook als je niet in de buurt bent om je kind te beschermen. Het kan moed vragen om te luisteren naar je intuïtie. Intuïtie is nu eenmaal onaangepast aan de groepsnorm, en zo hoort het ook. Je intuïtie geeft soms een ongewenst geluid: het kan dwars ingaan tegen de mening van anderen, of je tegenhouden als je net een slim maar ingewikkeld plan had bedacht. Ook kan je intuïtie je vertellen dat je niet aangeraakt wil worden door iemand, hoe logisch het ook lijkt dat die ander dat doet. Dan oordeelt je intuïtie dat het feest niet doorgaat, maar het welopgevoede deel in jezelf moet hard werken om ernaar te luisteren en handelen.

Nee zeggen

Hoe kun je in de opvoeding meegeven dat je kind iets kan afwijzen? Nee zeggen lijkt heel simpel. Jonge kinderen doen het aan de lopende band: Nee! Ik wil geen groente! Nee, ik hoef niet te plassen, niet te slapen, nee hoor! Maar hoe gaat het met: Nee, ik wil geen kusje (geven)? Ik wil niet zwaaien naar die mevrouw, geen handje geven aan die buurman, niet in mijn wangetje geknepen worden? Kinderen zeggen het wel, maar wij leren het ze af om het luid en duidelijk te zeggen. Het ligt ingewikkeld, want we voelen ons ongemakkelijk: ons kind is onbeleefd. Een hand hoort erbij en ach, die ouwe oom knijpt nu eenmaal in kinderwangetjes, dat leer je hem niet meer af, toch? Je wilt de grens van je kind wel respecteren, maar het moment is zo voorbij, dus toe maar. Dát voelt niet goed. 

Het betekent dat wij een stapje uit onze eigen comfortzone hebben te stappen. Als belangrijkste voorbeeld voor onze kinderen zijn wij het die moeten laten zien hoe je de grenzen markeert, zodat zij het later ook zelf kunnen. Ongemakkelijk als het is, zullen wij zelf oompjelief moeten vertellen dat deze wangetjes geen kneepjes willen.

Verzorging en lichamelijke integriteit

En hoe zit het met de verzorging? Heeft een kind de kans om Ja of Nee te zeggen op het aanraken en wassen van het eigen lichaam, ook de geslachtsdelen? Mag hij aangeven ‘Ik wil geen zetpil in mijn billen’?

Van baby af aan is een kind afhankelijk van de verzorging. Het is niet meer dan logisch dat hij gewassen en aangeraakt wordt; dit is zelfs onmisbaar. Toch is het geen gek idee om je baby altijd te vertellen wat je doet. Hoe ouder een kind wordt en hoe meer hij begrijpt, hoe vaker hij zelf een idee zal hebben over wat prettig is. Heb je eenmaal een peuter, dan kun je rekenen op veel weigeringen. Natuurlijk kun je niet meegaan in een wens als ‘Je mag me nooit wassen’, maar het kan wel een goed signaal zijn. Welke ruimte kun je je kind wél geven? Misschien wil je kind zich liever zelf wassen, zelf het moment kiezen om gewassen te worden, of kiezen tussen douche en bad. Wil je kind geen zetpil, kun je dan alternatieven aanbieden waartoe je kind wel bereid is? Een kind heeft maar enkele middelen om macht in te zetten, en de lichamelijke grens is er een van. Wat gaat erin (eten, drinken, medicijnen), wat komt eruit (en vooral hoe komt het eruit, op de wc, in een luier, of…?) en wie komt er aan mijn lijf? 

Grenzen van het lichaam

De grenzen van het lichaam horen geen onderwerp van strijd te zijn. Het is een grondrecht om over je eigen lichaam te beschikken. Aan ons als verzorgers de ingewikkelde taak om het onderscheid te maken tussen de grillen van een peuter die lekker vaak Nee! roept en het serieuze recht op lichamelijke integriteit.

Het gaat eigenlijk allemaal over artikel 10 en 11 in onze grondwet, het recht op privacy en onaantastbaarheid van het lichaam: 

‘Iedereen is de baas over zijn eigen lichaam. Anderen mogen niets met je lichaam doen, als je dat niet wilt. Niemand mag je bijvoorbeeld pijn doen. Ook mag niemand je medicijnen geven, als je dat niet wilt.’

Als ouders heb je de grondrechten van je kind te beschermen en hun grenzen respectvol te behandelen.

Meer weten: 

naarzeeyoga.nl

opvoedadvies.nl

Dit artikel is geschreven voor de wintereditie van Kiind op papier. Bestel de editie digitaal en start direct met lezen!

Je kind is baas over zijn eigen lijf, dus ook over zijn kusjes

Fotografie: Mirjam Hagendijk

DOWNLOAD GRATIS

Je ontvangt meteen onze zinnige nieuwsbrief (waarvoor je je uiteraard op ieder moment kunt uitschrijven)

Het is gelukt, je hebt mail! (check ook je spamfolder)

0