Iedereen heeft in zijn klas een achtjarige die de sint verdedigt in de turnkleedkamers. Die achtjarige was ik. Jawel hij bestaat wel! Hij komt gewoon niet bij jou omdat je niet in hem gelooft. Nog een paar andere believers waren mee en er was de toekomstige politica die de kerk in het midden probeerde te houden met ‘hij bestaat een beetje’. De nederlaag het jaar daarop viel me echt zwaar.

Ze gelooft echt nog? Ze is nochtans intelligent?

Pup, zeven going on eight, is ook een believer. De ex en ik kijken met licht ongeloof naar mekaar en becommentariën bij de overdracht in het Engels: het is echt hè? Ze gelooft echt nog? Ze is nochtans intelligent? Hij oppert dat ze het uit opportunisme doet, maar ik haal haar spervuur van vragen aan: Hoe doet hij alle huizen? Waarom zijn er hulpsinterklazen? Er is wel een hulpsinterklaas op mijn school, heeft hij ons dan niet graag? Als Piet zwart is van de schoorsteen, moet die daar dan elke dag door springen? Er spreekt een begin van twijfel uit van hetzelfde genre als toen ik mijn geloof verloor, maar anderzijds verdedigt ze de Sint nog met redelijk veel vuur. ‘WAT ZEGGEN JULLIE?!’ klaagt Pup intussen, want al mankeert haar Engels: ze begrijpt dat we het spreken om haar.

Grappig genoeg zijn we ooit begonnen als van die eerlijke ouders

Grappig genoeg zijn we ooit begonnen als van die eerlijke ouders. Ouders die principieel de kaart van de loyaliteit trekken en het kind zeggen: maar nee, de Sint bestaat niet. Het is maar een verhaal. En die zomaar cadeautjes geven. Alleen gaf die kleuter zelf aan dat ze in hem wou geloven. We zijn dan maar op de trein gesprongen. Ze gedraagt zich zoals elke bekeerde: een beter zeloot dan een geboren aanhanger. Ik blijf wel gemakssinterklaas. Het narratief thuis: ik ben een van de weinige mama’s die Sinterklaas mag helpen, hij stuurt mij sms’jes wanneer hij komt, dat kan best midden op de dag zijn, en dan moeten ze een hele tijd uit de buurt gaan spelen. ‘Ah ja’, zegt Pup monter. ‘Dat kan dat hij vandaag in Antwerpen is, want de Sinterklaas op school is een hulpsinterklaas, dat is geen echte.’ Al haar intelligentie gaat naar het justifiëren van haar geloof, en per dag begrijp ik beter hoe religie werkt.

Intussen zet ik de cadeaus klaar, strooi snoepgoed in hoeveelheden die ze anders nooit krijgen.

‘IS HIJ AL GEWEEST?!!!!’, van beneden. ‘Goh schat’, zeg ik nonchalant, ‘Ik zou voor de zekerheid nog wat weg blijven’, ga met een espresso en een gepikt Sinterklaasje in de zetel zitten terwijl ik een instagramfoto maak en bedenk dat ik dit elke dag, nee: als beroep zou kunnen doen. Ik zou het kunnen als beroep doen, corrigeer ik mezelf terwijl ik het zilverpapier afpel en bewonder hoe quasi-toevallig en vanzelfsprekend perfect al dat spul rondgestrooid ligt.

Ik vrees voor haar reactie wanneer ze eindelijk vraagt of Sinterklaas bestaat

Nu het moment van ongeloof en ontdekking onherroepelijk nadert, vrees ik wel eens voor haar reactie wanneer ze eindelijk vlakaf vraagt of Sinterklaas bestaat. Die Paashaas rook ik als kind al een tijdje. In de lente zijn ouders wat nonchalanter, en het idee van klokken die uit Rome komen of een knaagdier met een lading eieren: wie gelooft daar nu langer in dan de kleuterschool. (Mijn Pup, maar dat terzijde. Ik moet eens stoppen met er verhalen rond te fantaseren.) Die hele mythe rond Sinterklaas was anders. Mijn moeder was dol op samenzweringstheorieën en een tijdlang na de ontdekking volgde ik haar. Als je de complete wereld rond Sinterklaas bijeen kon fantaseren en dat voor elk kind ter wereld verborgen kon houden, bestonden de Illuminati misschien ook.

Ouders weten echt niet hoe diep de Sinterklaaswonden slaan

Die verwondering hield aan. Mijn eerste keer vliegen: het bestond toch. Een uur later: die aarde was inderdaad echt rond. Verre landen waren zoals ze beschreven werden. Seks zat echt zo in mekaar. Ouders weten echt niet hoe diep de Sinterklaaswonden slaan.

De laatste keer dat ik het ingrijpend voelde, was toen ik zwanger was. Een heel klein mens in mijn onderbuik. Ongelofelijk. Wat een incongruë plek daarvoor ook. En meteen weer die gedachte: dat is dus toch waar, en een witrode geest die een moment door mijn gedachten zweemt. Nog een paar maand zou die gedachte aanhouden, om dan bij de naderende geboorte in schrik om te slaan omdat het allemaal veel te echt en afschrikwekkend onafwendbaar werd.

Ik heb het nog wel eens bij liefde. Het kan dus toch zo voelen. Het is dus nog zo. Zoet ongeloof.

Nog één keer zal het waarschijnlijk inslaan; bij mijn dood. Als ik geluk heb, word ik stokoud in geweldige gezondheid en geluk, helder van geest, om het me dan in die laatste jaren en maanden af te vragen, en de laatste momenten te merken: ’t is waar. Het is dus toch waar. Ik ga toch dood. Zelfs ik ga dood.

Celia Ledoux is een Brusselse schrijver en columnist. Ze werd een van de toonaangevende stemmen in zwangerschap, geboorte en ouderschap toen ze zelf op zoek ging naar antwoorden. Ze schreef columns voor verschillende kranten en magazines en de boeken ‘Mama‘ (2011) en ‘Slaap je al door?‘ (2013)

0