Beeld: Danielle Toret

Gezinnen zijn sociaal geïsoleerder dan ooit

De manier waarop wij leven verschilt van wat in het verleden gebruikelijk was. Klinkt vanzelfsprekend, maar betekent dus ook dat wat we ‘normaal’ vinden binnen een paar generaties flink kan veranderen. Als socioloog denk ik daarbij vooral aan veranderingen in de sociale omgeving waarin onze kinderen opgroeien. Je ziet dan dat er vandaag de dag veel minder vanzelfsprekende sociale verbanden zijn waarin ouders en hun kinderen leven. De gevolgen van deze sociale armoede zijn niet positief.

Vrienden voor het leven?

Kinderen brengen tegenwoordig vooral tijd door met de eigen ouders, en daarnaast met kinderen van dezelfde leeftijd op school. Er is gemiddeld genomen weinig contact met buren en buurtgenoten. Grootouders en andere familieleden wonen vaak niet in de buurt.

Veel ouders spannen zich in om contacten te leggen of te onderhouden voor zichzelf en voor hun kinderen. Maar er is in de praktijk weinig dagelijks contact voor de kinderen met oudere (of jongere) kinderen, of met andere volwassenen. Daarbij komt ook dat gezinnen zelf tegenwoordig vaak klein zijn. En door een hogere leeftijd van de ouders bij het eerste kind, worden de kinderen korter op elkaar geboren.

Als gevolg hiervan is er een kloof tussen de sociale wereld van de jeugd, die vooral bestaat uit leeftijdgenoten, en de sociale wereld van de volwassenheid. Dat heeft tot gevolg dat de overgang naar volwassenheid vaak problematische kanten heeft.

In de sociale mensheidsgeschiedenis is dat bijna altijd anders geweest. Familie woonde vaak dichtbij. Jeugdvrienden bleven vaak vrienden voor het leven. Je groeide meer op in een kring van bekenden en vertrouwden van verschillende leeftijden en generaties. Aan de bovenkant was er het overlijden en aan de onderkant was er de nieuwe aanwas, maar voor het overige was er een grote mate van continuïteit. Er was niet de kloof tussen de jongvolwassene en de volwassenheid.

Sociaal leven van vanzelfsprekendheid naar opgave

Eenzaamheid was vroeger eigenlijk een onbekend verschijnsel. In de woorden van de ontwikkelingspsychologen Crone en Dahl: ‘De sociale structuren van adolescenten hebben in de recente menselijke geschiedenis grote veranderingen ondergaan’.

Eenvoudig gezegd komt dat er op neer dat je ‘vroeger’, als we dat maar even zo noemen, vrienden had als een vanzelfsprekendheid, terwijl je tegenwoordig voor de uitdaging staat om vrienden te maken en vriendschappen te onderhouden. Vroeger nam je anderen voor wat ze waren. Omdat ze er immers gewoon wáren, en omdat je, elkaar beïnvloedend en je aan elkaar aanpassend, een gezamenlijke geschiedenis opbouwde.

Nu moet je je veel meer bewijzen. Je moet laten zien dat je “easygoing” bent, sociaal vaardig en niet al te verlegen. Teveel afwijken vinden anderen lastig en raar. Plagerijen horen bij het sociale leven en zijn van alle tijden, maar het zou wel eens zo kunnen zijn dat pestproblemen en antipestprogramma’s op scholen verschijnselen van deze tijd zijn.


We zijn sociaal armer geworden

Kort na de Tweede Wereldoorlog hebben sociologen de sociale veranderingen soms heel concreet beschreven. Elizabeth Bott beschreef hoe, in de fase voor die veranderingen, de sociale netwerken van mensen na het stichten van een gezin doorgaans in stand bleven. Man en vrouw behielden na hun huwelijk elk hun eigen vriendenkring, zodat het gezin niet sociaal geïsoleerd raakte. De partners waren daardoor niet zo exclusief op elkaar aangewezen. Zo werd voorkomen dat ze irreëel hoge eisen aan elkaar gingen stellen. Ook de frequente, vaak dagelijkse contacten met grootouders waren normaal.

Willmott en Young beschreven hoe Londenaars de verhuizing beleefden van de arbeiderswijk Bethnal Green, waar kennen en gekend worden normaal was, naar de nieuwe voorsteden. Van een toestand waarin ze vrienden hádden naar een waarin ze vrienden moesten maken. Velen waren daar niet zo goed in en vroegen zich bovendien af of zulke gemaakte vrienden eigenlijk wel echte vrienden werden.

Terwijl een sociaal leven eerst de bodem van je bestaan was, waar je niet over hoefde na te denken, was het een opgave geworden waaraan je moest blijven werken.

Samen is beter

Hoe ‘erg’ is dit allemaal? Het opgroeien in een kring van vertrouwde anderen, en daar deel van blijven uitmaken, is essentieel geweest voor het ontstaan en voortbestaan van de mensheid. Want het is het patroon van de gemeenschappelijke, coöperatieve zorg voor kinderen dat ons evolutionaire succes voortbracht. Zwangerschap en de zorg voor kinderen eisen zoveel energie van moeders dat steun en hulp van anderen onontbeerlijk is. Vandaar dat mensenmoeders die steun van anderen ook proberen los te krijgen, en als die steun er niet is zich vreselijk eenzaam voelen. Bij onze naaste verwanten, de chimpansees, is dat heel anders: moeders laten angstvallig niemand anders tot hun jong toe.

In de vroegere sociale setting waren de voorwaarden voor coöperatieve zorg veel meer aanwezig dan tegenwoordig. Hoewel we materieel rijker zijn, wat natuurlijk een groot goed is, zijn we sociaal armer geworden.

We weten het een en ander over wat sociale armoede voor gevolgen kan hebben voor kinderen en ouders. Ik geef een kleine selectie.

Het blijkt dat de kans op een postnatale depressie kleiner is als het gezin meer sociaal geïntegreerd is. Ook weten we dat veel contact met grootouders gunstig is voor de sociale en morele ontwikkeling van kinderen.

Maar dat geldt ook voor contacten in de buurt. Kinderen leren daarvan dat je mensen kunt vertrouwen en worden als gevolg zelf ook eerlijker en betrouwbaarder. In buurten met meer sociaal contact is de kans op huiselijk geweld kleiner.

Omdat kinderen buiten het eigen gezin vandaag de dag vooral alleen te maken hebben met de leefwereld van hun leeftijdgenoten, hun peers, is het bepalend voor hun ontwikkeling hoe hun peergroup in elkaar zit. De leefkring van jongeren leidt gelukkig vaak tot wat psychologen een ‘positief ontwikkelingstraject’ noemen, maar het kan ook een negatief traject worden, met als gevolg gedragsproblemen of depressieve klachten.

De stam als ideaal?

Die sociale omgeving van onze gezinnen, dat is een terrein waarop we dus nog veel winst zouden kunnen behalen. We zouden voor elkaar moeten zien te krijgen dat kinderen dicht bij huis meer omgang hebben met vertrouwde anderen van verschillende leeftijden. Maar hoe doe je dat?

Veel ouders weten de weg naar grootouders al goed te vinden. Maar ook kun je actief in de buurt worden en daar meer contacten leggen. Door actief te worden in en voor de buurt help je ook mee aan een betere sociale omgeving voor jouw en andermans kinderen. Zo haal je de stam die kinderen nodig hebben ietsje dichterbij.

Bronnen:

Eveline A. Crone en Roald E. Dahl, Understanding Adolescence as a period of social-affective engagement and goal flexibility, Nature Reviews Neuroscience 13 (2012): 636-650

Elizabeth Bott, Family and Social Network. (1e druk 1957, herdrukt in 2001)

Peter Willmott en Michael Young, Family and Class in a London Suburb. (1e druk 1960, herdrukt in 1984)

Michael Young en Peter Willmott, Family and Kinship in East London. (1e druk 1957, herdrukt in 1992)

Lees er meer over:

Sarah Blaffer Hrdy, Een kind heeft vele moeders. Hoe de evolutie ons sociaal heeft gemaakt. Nieuw Amsterdam, 2009

Frans de Waal, Een tijd voor empathie. Wat de natuur ons leert over een betere samenleving. Olympus, 2014

 

 

Henk de Vos is emeritus universitair hoofddocent sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen

Over Utopia, sprookjes en dromen: leven in een gemeenschap