Robert Tannemaat

Krijsend naar de kinderopvang – kan dat anders?

Het was een hele lange tijd geleden dat Simon grote weerstand had om naar het kinderdagverblijf te gaan. Hij heeft wel wat vaker gesputterd, maar dat verdwijnt als hij z’n vriendjes ziet. Deze ochtend wilde hij écht niet. Hij liet zich op de grond vallen, huilen en klampte zich aan mij vast.

Nu heb ik vorig jaar een column geschreven over een eerdere ervaring hiermee en is (bovendien) mijn innerlijke criticus vrij snel actief als het gaat om ouderschap waardoor de situatie mij meteen veel stress opleverde. Buiten dat wilde ik er natuurlijk gewoon voor hem zijn. Hem de stevigheid en veiligheid bieden waar hij naar verlangt. Het vertrouwen geven dat hij gezien en gehoord wordt en dat hij meetelt, serieus wordt genomen. Dat hij weet dat hij volwaardig gelijkwaardig is als mens.

En dus bleef ik bij hem. Eerst op straat waar hij krijsend was gaan liggen, toen in de gang naar de opvang in dezelfde setting en daarna op de bank binnen. Als een aapje aan mij vastgeklemd zat hij op schoot en wilde alleen maar dat. Niets anders. Alles wat er op leek dat ik zonder hem weg zou gaan bracht tranen in zijn ogen en daardoor kramp in mijn hart.

Dus ik bleef met hem zitten. Momenten van opluchting bij hem brachten ook opluchting bij mij. En gedachten als ‘Waarom doe ik dit?! Waarom ga ik niet gewoon naar huis met hem. Dan maar een dag niet werken. Wat is nou echt belangrijk?’ schoten door mij heen.

Binnenin mij raasde een strijd over wat te doen. Bij hem blijven of gaan, omdat ‘dat ook bij het leven hoort’. En ondertussen vroeg ik mij onwillekeurig af van wie deze laatste overtuiging dan wel niet was.

Na drie kwartier besloot ik om toch te gaan werken. Simon moest huilen, gelukkig bij een zachtaardige en invoelende juf, maar toch. Met een knoop in mijn buik, tranen achter mijn ogen en een hoofd vol oordeel naar mijzelf dat ik hem in de steek liet, zat ik even later op de fiets.

Ik deel mijn ervaring kort in de app van mijn mannengroep. ‘Heel herkenbaar…’ schrijven André en Wouter, en Emile had die ochtend op school eenzelfde ervaring. Mmm, ik ben niet de enige dus.

Op het werk bedenk ik me dat ik net zo goed naar hem toe kan gaan, want wat een K-begin van de dag is dit zo. ‘Dit moet toch anders kunnen…, dit moet toch anders kunnen…, dit moet toch anders kunnen’, mantraat het door mijn hoofd.

Maar hoe?

Het is me door z’n peutergepuber de laatste tijd al duidelijk geworden dat hij ontzettend graag doet wij hij zelf wilt. De grenzen opzoekt. Maar tegelijkertijd zie ik ‘m zich daarbij kwetsbaar voelen: hij wil veel gedragen worden, bij ons zijn, weten waar we naartoe gaan en meegaan. Het is zo’n mooi en fragiel proces van autonomie ontdekken en tegelijktijdig de zekerheid van verbinding en liefde behouden. Ik besef al te goed de kwetsbaarheid en kracht ervan. Gaat dit ‘goed’ dan heeft hij daar zijn hele leven profijt van.

Maar wat is ‘goed’ in dit geval?

Hem achterlaten bij de opvang, zodat hij leert dat dit kan gebeuren in het leven. En er een repertoire voor opbouwt over hoe er mee om te gaan? ‘Dat ging bij mij vroeger ook en ik heb er niets aan over gehouden’ hoor ik nog wel eens als argument. Net als: ‘van een beetje weerstand word je hard’.

Maar dat is niet waar ik voor ga. Want overleven – waar je dan in terecht komt – hoeven we echt niet te leren, dat kunnen we al. Maar leven, met een hoofdletter ‘L’, – vanuit vertrouwen in onszelf en de wereld om ons heen – is andere koek. Dit is iets wat we in meer of mindere mate allemaal aan het leren zijn. En vraagt zeker om aandacht en een andere bewustere keuze dan wat iedereen-doet-en-niemand-toch-kwaad-heeft-gedaan.

Dus wat doe ik dán? Bij hem blijven en wachten totdat ik rustig kan gaan? En wat kan, als extra complicerende maatschappelijke factor, de kinderopvang hieraan bijdragen?

Als alles goed functioneert zijn ik en de juffen van de opvang natuurlijk zijn primaire hechtingsfiguren en voelt hij zich ondanks veranderingen altijd veilig, gezien en gesteund. Maar als dat zo goed zou functioneren zouden ze hem niet huilend los moeten maken uit mijn armen en zou ik hem niet nog horen krijsen terwijl ik op de gang met een schuldgevoel mijn schoenen sta aan te trekken.

Hij wil gewoon samen zijn met ons. Thuis waarschijnlijk, de veilige basis waar hij kan ontdekken wat er gebeurt als hij ‘Nee!’ schreeuwt, wegloopt en alleen gaat spelen terwijl hij met zijn voelsprieten continu blijft voelen dat wij er steeds zijn en hem liefhebben.

Dus wat ga ik dan de volgende keer anders doen? Praktisch gezien op dit moment waarschijnlijk niets. Want dit is nu de wereld waarin ik leef. Met werk waar ik naartoe ga om te doen wat ik wil doen en geld te verdienen om te kunnen wonen waar we wonen, en waarvoor – bij gebrek aan hechte gemeenschap om ons heen – kinderopvang dus noodzakelijk is.

Maar dat dit nu nog niet anders is houdt me natuurlijk niet tegen om mij te richten op wat ik als beter alternatief dan wel voor ogen heb. Een gemeenschap van betrokken mensen die gezamenlijk bijdragen aan een fijne manier van samenleven. En een van de – jippiejajee! – toffe stappen hierin is dat we in augustus met elkaar voor een jaar op reis gaan! Samenzijn, genieten en ontdekken welke manieren van samenleven ons nog meer (en wellicht, beter) passen.

Mag ik, de situatie van Simon zien als een spiegel voor mijzelf? En ‘Nee!’ zeggen te waar ik niet blij van wordt en gaan doen wat ik het liefste doe, wetende dat er altijd mensen om mij heen zijn die mijn liefhebben?

Column: Een commune in de polder

Creëer je eigen stam: je netwerk als opvang

Lees ook:

M. Eerkens, Wat doen we met de baby?

Robert Tannemaat is naast vader van Simon (2) en Sofie (5) ook trainer en coach bij GezinsGeluk.nu, voor een sterke band én ruimte voor jezelf.