Beeld: Jannie Spruit

Het grote belang van nabijheid, voor nu en later!

Op 26 januari 1967 werd mijn jongere zusje geboren, prematuur en dysmatuur. Mijn moeder beviel thuis en mocht daar op het nippertje blijven met haar kleine baby. Wel was het de eerste tijd duidelijk dat Karin nog niet klaar was voor de wereld. Ze sliep en sliep maar en verroerde vrijwel geen vin. Het voeden lukte niet en mijn zusje kreeg kunstmatige zuigelingenvoeding.

Voor de meeste ouders is een vroeggeboorte een totale overrompeling, een heftige levensgebeurtenis, die je na ontslag uit het ziekenhuis niet zomaar achter je laat. Ik heb mijn moeder daar nooit op die manier over gehoord, maar dat kwam wellicht omdat Karin thuis geboren was. Desondanks was de start niet zoals die had moeten zijn. Het is niet ondenkbaar dat mijn moeder en mijn zusje er allebei levenslang de gevolgen van hebben ondervonden. Mijn moeder stierf in 2006 en mijn zusje in 1999, slechts 32 jaar oud. Ze hadden het bestaan allebei jarenlang als loodzwaar ervaren. Dat uitte zich in te veel roken, te veel drinken, depressiviteit, een tekortschietend gevoel van eigenwaarde, geregeld ziek zijn en gebrek aan een stabiele partnerrelatie.

Tot een aantal jaren geleden beschouwde ik deze gebeurtenissen als een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar ik ben er steeds meer de samenhang van gaan zien. Mijn kernconclusie? Mijn moeder heeft in haar jonge jaren veel gemist van wat ze als kind had moeten krijgen: onbezorgde liefde en aandacht, ouders die haar behoeften zagen en trots op haar waren, die haar aanmoedigden haar talenten en vaardigheden te ontdekken en te ontplooien. Haar neurologische ontwikkeling liep schade op: ze werd angstig en onzeker. Wat ze als kind niet had gekregen, kon ze vervolgens ook niet goed doorgeven. Voor ons als kinderen was dat moeilijk, om uiteenlopende redenen voor Karin meer dan voor mij.

De vraag is dan ook: hoe spelen prille belevenissen een rol in wat je kunt opbrengen voor je eigen kind?

Een baby die alleen ligt (in een wieg, zoals mijn zusje, of in een couveuse, die van oorsprong een soort luxe versie van een incubator was, een eierbroedmachine), wordt geïsoleerd. Ze is niet meer op de plek waar ze hoort te zijn. Op basis van de biologische blauwdruk verwacht een baby immers een heel andere leefomgeving: het lichaam van haar moeder. Gescheiden van haar moeder blijkt een kind veel mis te lopen. Lichaamswarmte, geur, huidflora, melk uit de borst… ze zijn allemaal van groot belang voor de gezondheid van je baby.

En hoewel de ontwikkelingen in de medische wereld nog lang niet snel genoeg gaan, het moederlichaam lijkt meer en meer het uitgangspunt te worden voor optimale zorg. Buidelen en kangoeroeën zijn in opkomst, al worden ze nu vaak nog ‘positieve interventies’ genoemd. Dat klinkt mooi, maar de werkelijke interventie is het uit elkaar halen van moeder en kind. Houd je die twee gewoon samen, dan ben je trouw aan hoe de natuur in elkaar zit. Vooral de hersenen gedijen op die nabijheid. Hoe je brein zich ontwikkelt, bepaalt namelijk zowel nu als in de toekomst voor een heel deel je gezondheid. Dat komt doordat de stressregulatie en de veilige hechting daar worden gevormd. Die twee zijn van grote invloed op hoe je je voelt. Wie zich veilig voelt, zoekt toenadering tot de ander. Wie huilt en getroost wordt, leert de ander te vertrouwen. Dat geldt voor je pasgeboren baby nu, maar dat gold ook toen je als ouder zélf klein was. De tranen die je als kind vergoot, zijn misschien wel opgedroogd, maar lang niet altijd is ook alle pijn uit je ziel verdwenen.

Het idee dat een baby haar moeder mist als die er niet is, is een biologisch gegeven, al past het niet rimpelloos in hoe de samenleving kijkt naar opvoeding en babybelangen. Gelukkig zijn er befaamde wetenschappers die krachtige stellingen aandurven.


Wie huilt en getroost wordt, leert de ander te vertrouwen

Een krachtig pleidooi voor primaire behoeftebevrediging (zoals niet laten huilen!) is te vinden in het boek ‘Evolution, Early Experience and Human Development’. Grote namen als Darcia Narvaez, Jaap Panksepp, Allan N. Schore en Tracy R. Gleason hebben meegeschreven aan het boek, net als een indrukwekkend aantal andere onderzoekers. De uitgave is een ware schatkist aan onderzoeksresultaten. Al op bladzijde 4 is het volgende te vinden: “Het bewijs uit onderzoek onder dieren en uit menselijk psychologisch, neurobiologisch en antropologisch onderzoek neemt toe en wijst allemaal in dezelfde richting. Het laat zien dat er een levenslange kwetsbaarheid ontstaat van hersen- en lichaamssystemen bij diegenen die in de vroege levensfase ontoereikende zorg ontvingen. Zelfs wanneer er medicijnen beschikbaar zijn om de symptomen van het disfunctioneren te verzachten, blijven de onderliggende suboptimale structuren intact (Schonkoff et al., 2012). Dit probleem lijkt in het bijzonder te gelden voor het emotionele en morele functioneren (Narvaez, 2008).” (vertaling MVK)

Het komt er dus nogal op aan in de eerste tijd! Het boek benadrukt op allerlei manieren dat de behoeften van een baby bevredigd moeten worden en dat je de signalen niet als verwend gezeur of een treiterende machtsstrijd moet afdoen. Wat een kleine baby wil, is wat ze nodig heeft; wat ze nodig heeft, is waar ze om vraagt. Het is echter heel goed mogelijk dat je baby je op deze manier een spiegel voorhoudt en dat je door haar behoeften geconfronteerd wordt met wat er in jou aan verdriet en eenzaamheid sluimert. Behoeften die in je kindertijd niet bevredigd werden, blijven onbewust knagen en kunnen het heel moeilijk maken om te geven wat je baby nodig heeft.

Door telkens gevoed, gekoesterd en getroost te willen worden, vraagt je baby enorme toewijding van jullie als primaire verzorgers. Ze maakt aanspraak op je diepste instincten en die zetelen daar waar ook je vroegste ervaringen liggen opgeslagen. Dat is niet niks; dat maakt heel wat los. Wanneer je je kind in de ogen kijkt, realiseer je je langzaam maar zeker hoe groot je verantwoordelijkheid is: dit hummeltje gaat heel lang aanspraak op je maken. Je bent in de generaties een plaatsje opgeschoven: je bent geen kind meer dat zorg mag ontvangen, maar ouder die zorg hoort te geven. Dat kan voelen als een aardverschuiving, als springen zonder vangnet.

Als ouders heb je in die periode steun nodig, een sociale omgeving die je tijd geeft om die ‘intensive care’ te bieden. Eén hormoon speelt daarbij een grote rol. Oxytocine stimuleert de sociale interactie (en andersom!), beschermt hart en bloedvaten en ondersteunt het immuunsysteem. En dat is nog zeker niet alles: oxytocine maakt dat je meer vertrouwen in je omgeving krijgt, dat je beter met moeilijke omstandigheden kunt omgaan, dat je pijngrens wordt verhoogd, dat je je heerlijk kunt ontspannen en dat je leervermogen wordt ondersteund omdat je geheugen goed functioneert.

En hoe zorg je voor hoge oxytocinespiegels? Door in alle rust samen te zijn met de mensen van wie je houdt en door huid-op-huidcontact!

Krijg je een gezonde baby? Breng dan veel tijd met elkaar door en zorg dat je zo lang mogelijk verlof hebt, zodat je elkaar kunt leren kennen en jullie band sterk wordt. Ben je ouder van een te vroeg geboren baby, dan doe je er goed aan je voor weken te nestelen in die ligstoel naast de aangesloten bewakings- en mogelijk zelfs beademingsapparatuur. Neem je kind op je buik en in je armen en marineer jezelf en je baby in oxytocine; geef je over aan die afhankelijkheid en geniet ervan, door de tranen en de twijfels heen.

Geef in die eerste maanden jullie beider zelfvertrouwen de kans om te groeien. Oxytocine bevordert ook de wondheling en wie weet ontdek je na weken buidelen dat de geestelijke pijn, zowel van toen als van nu, een wonderbaarlijke genezing heeft doorgemaakt!

Als de stress laag blijft en het welzijn hoog, verdient zich die tijdsinvestering vervolgens snel en overvloedig terug. Hadden mijn grootouders hier meer over geweten, dan waren sommige dingen mogelijk heel anders gegaan. Ik heb hard gewerkt om de boze betovering te kunnen doorbreken. Ik hoop dat onze kinderen daarvan blijvend de zoete vruchten zullen plukken!

Lees ook de paper over empathie en de blauwdruk van baby’s door Marianne.

Marianne Vanderveen-Kolkena is lactatiekundige en tekstschrijver. Ze heeft de boeken ‘Koester je Kleintje’ en ‘Slapen met je baby’ naar het Nederlands vertaald.