Op een ouderavond vroeg de juf van mijn kleuter: ‘Kinderen van 0 tot 7 jaar willen van alles en ze doen ook van alles. Wat hebben ze nodig om te dóen?’

Het onderwerp was de wil. Er werd van alles geroepen: zelfvertrouwen? Een plan? Een doel? Dat was het allemaal niet.

Hoofd, hart, handen

De juf vertelde over de theorie van Steiner en dat hoofd, hart en handen zo belangrijk is. Hoofd staat voor bedenken, hart voor voelen en handen voor willen. Maar in fases komt het andersom: eerst de handen van 0-7 jaar, dan het hart van 8-14, dan het hoofd van 15-21 jaar. En dan begint het weer opnieuw, vertelde ze. Van 22-28 jaar ben je weer bezig met je handen. Dan wil je de wereld in en iets gaan aanpakken.

En in díe fase heb je een plan nodig, zelfvertrouwen en een doel. Maar daar zijn kinderen van 0-7 jaar niet mee bezig. Wat hen drijft? Nabootsingskracht.

Leesvoerrrr: Unconditional parenting, Luisteren naar kinderen, Temperamentvolle kinderen, How2Talk2Kids (broers-en-zussen-editie).

Nabootsing

Ze noemde dit het verschil tussen dieren en mensen. Dieren worden groot op basis van hun instinct. Een hondje dat opgroeit tussen de lammetjes zal gaan blaffen. Wij hebben ook instinct, maar zonder nabootsing groeien we niet op tot pratende, lachende en zelfbillenafvegende mensen. 

Ook een baby kopieert zijn ouders al. Je baby kijkt je met grote ogen aan en slaat alles in zich op. Hij spiegelt je. En dat blijft hij al die jaren doen.

We weten het ook wel. Als je kleintjes ziet spelen dan herken je terug wat je zelf doet: met potjes en pannetjes rommelen, pleisters plakken en de wasmachine vullen (of voornamelijk leeg trekken). Mijn kinderen hoor ik tijdens vadertje-en-moedertje spelen zeggen: ‘Ach lievie, kom maar.’ Het is allemaal imitatie.

Voorleven is de krachtigste vorm van opvoeden. Je kunt wel zeggen wat je wilt, maar als je het niet zelf laat zien, dan is het niets waard. 

Strafstoeltje

Ik zag vanmorgen de volgende situatie: een kleine peuter trok aan de haren van een grotere peuter. De kleine peuter moest de grote peuter aaien. Dat deed hij niet dus hij werd apart gezet. Als hij alsnog de grote peuter zou aaien dan mocht hij van zijn strafstoeltje af.

Wat er gebeurt als kleine kinderen apart gezet worden:

Niets.

Of althans: het kind kan bijvoorbeeld gaan bedenken hoe hij daar zo snel mogelijk weer weg komt. Een van de opties is dan om te doen wat je gevraagd wordt. Dat is de snelste optie naar weer lekker kunnen spelen. Een kind leert daar alleen niets anders van dan zo snel mogelijk de situatie laten eindigen. Wat je wilt bereiken is dat het kind op deze manier stopt met haren trekken. OF eigenlijk wil je dat het kind zich gedraagt.

Het probleem met het strafstoeltje is dat een kind dat zich misschien wat minder aanpast aan de norm vaker op het strafstoeltje zal zitten dan een kind dat zich gemakkelijk aanpast. Maar wat voel je als je apart gezet wordt? Of als we het vergelijken met ons leven: als je bijvoorbeeld op je werk van je baas een standje krijgt omdat je een fout gemaakt hebt? Je voelt je niet blij, je voelt je misschien wel alleen. Dikke kans dat je alleen maar minder zin hebt om mee te doen.

Stel je voor dat je die fout gemaakt hebt maar je baas vraagt geïnteresseerd hoe het met je gaat omdat hij/zij ervan uitgaat dat jij je zelf al rot genoeg voelt over je fout. Hoe voel je je dan? Voel je je gezien, voel je je thuis en welkom? Misschien ga je alleen maar met meer plezier naar je werk.

Laten we er eens vanuit gaan dat een kind ook een mens is en net zo in elkaar zit. Net zo bedraad is als jij. Dan is iedere vorm van straf niet helpend. Niet ondersteunend aan het grotere doel dat je hebt: samen fijne jaren hebben.

Wat kun je anders doen dan een kind op een strafstoeltje zetten?

Voorleven

In het geval van het harentrekkende doerakje kun je zelf de grote peuter gaan aaien. ‘Haren trekken doet pijn. We gaan zijn haren aaien, dat voelt veel fijner. Aaaaaai. Wil je ook even aaien? Nee? Misschien de volgende keer. Vind je het fijn, Grote Peuter? Mooi zo.’

De kinderen leren van wat ze zien. De juf vertelde dat schietspelletjes in de klas niet mogen. Ze zei: ‘Als ik dat niet verboden zou hebben, dan zag ik geen ander spel. Omdat het niet mag, en ik de kinderen die het wel doen vraag te kijken naar wat andere kinderen spelen, gebeurt het niet meer in de klas. Nu bouwen ze auto’s en spelen daar eindeloos mee.’

De juf: ‘Ik neem ’s avonds altijd de tijd om me te verbinden met de kinderen. Juist met de kinderen waarmee het stroever gaat. Ik ga alle kinderen even langs in mijn hoofd en met de meeste ben ik zo klaar. Dan sta ik echt even stil bij de kinderen waarbij ik niet meteen blij word als ik aan ze denk en dat helpt. Ik verbind me met ze en dat is zo belangrijk.’

Kinderen zijn van nature goed. Mensen willen bij de groep blijven horen, dat is ons overlevingsmechanisme. Zonder de groep was het gevaarlijk. En dat weet ons brein dondersgoed. Kinderen willen zich dus heus aanpassen. Maar geef ze de tijd, doe het voor en blijf je verbinden met het kind.

Fotografie: Jana Boekholt

BewarenBewaren

BewarenBewaren

0